Drift

We gaan met enige regelmaat wandelen. We vertrekken dan in Borgerhout en kiezen een richting. Geen specifiek doel, maar een windrichting of een wijk. ‘Gaan we naar het Zuid?’ vragen we dan aan elkaar. Of ‘Wat denk je van den Dam?’
Onderweg doorlopen we straten die we zelden frequenteren, waar weinig verkeer is of waar toevallig de zon schijnt. We wandelen door een stad waar we het grootste deel van ons leven wonen, alsof we toeristen zijn. ‘Kijk daar,’ zegt ze tegen mij en wijst naar een stoel op een braakliggend terrein. Het kan ook een sticker zijn op een lantaarnpaal of een stuk plastic dat in zijn zweeftocht door de vuile lucht in een boom is blijven hangen, als een vriend op café die ons toezwaait omdat we oude bekenden zijn. Ik zwaai dan goedhartig terug, zij neemt een foto van dichtbij.

muur huis

Het einde van een wereld

We gaan bij die tochten op zoek naar het einde van de wereld. Vroeger lag dat merkbaar dichterbij. Toen we elkaar nog niet kenden, maakten we, onafhankelijk van elkaar, gelijkaardige wandelingen. Het volstond destijds nog om de parking van de Zillion op te stappen. Daarachter was niets meer tot aan de Hobokense Polders. De stad stopte er met zijn.
Je zag iets gelijkaardig aan het eilandje waar bewoning ophield en plaats maakte voor nijverheid en handel. Of op den Dam waar autosnel- en waterwegen de stad in toom hielden. In Berchem had je helemaal tot achter het vliegveld te stappen, maar dat ging destijds nog moeiteloos, als je de spoorweg volgde langs de verlaten bunkers. Plots was er niets meer.
In al die windrichtingen en alle kanten kende de stad een einde. Daar stopte de wereld en begon iets anders.
Daar gaan we naartoe, zij en ik. Vroeger trof je daar dan een leegstaand stapelhuis aan, een achtergelaten en vervallen boerderij, twee bunkers naast elkaar, soms een uitgebrande villa waarvan het dak half was ingestort of een fabriek waar de machinekamer en burelen in zeven haasten waren leeggehaald. Ik had er een gewoonte van gemaakt om via een stukgewaaid raam, een geforceerde deur of een ophaalpoort waar een vrachtwagen te enthousiast was tegen gereden, binnen te sluipen en door die gebouwen te dwalen. Zelden was er iets bruikbaars of van waarde. Daarvoor kwam ik doorgaans al meer dan een decennium te laat. Maar ik was blij met een verfrommelde krant uit ’56 waarin nog verhaald werd over de Hongaarse Opstand alsof WOIII zou uitbreken. Of een verroeste moer zo groot als mijn hand, een prikbord waarop onleesbare nota’s waren blijven hangen die nu krulden als verdroogde bladeren aan een buxus. Of een kalender uit de jaren zeventig met een pin-up uit de jaren zestig.

Je wandelde er over versplinterd glas dat onder je voetzolen knirpste, in plassen waar regenwater en olie zich weigerden te mengen als hardnekkige Vlamingen met goedgelovige moslims. Een metalen dossierkast was achtergelaten met een stapel lege kasboeken van een bedrijf dat al geschrapt was uit het handelsregister. Op de muur bestond een telefoonnummer uit vijf cijfers. Je zag er het sanitair dat stukgeslagen of vergeten was, fonteinen van Duchamp in lange reeksen naast elkaar. En af en toe kwam je in een ruimte waar soms nog iemand woonde: een beduimelde matras, een halflege bokaal witte bonen in tomatensaus, sigarettenpeuken in een gebarsten bord, lege, verfrommelde bierblikken en een gescheurde jeans, sokken en onherkenbare kledij in de hoek.
Elk van die gebouwen had specifieke, eigen geuren die ik me wel herinnerde uit een vaag verleden, maar zelden kon thuisbrengen. Droog cementpoeder of beschimmeld textiel, een verdronken hond of verbrand plastiek, verschraald bier, urine en een oplosmiddel uit een spuitbus.

muur

foto Sarah Wagemans

 

Spannend waren de eerste gebouwen die ik zo bezocht: de bunkers uit WOII dicht bij de ouderlijke woonst. Daar bonkte mijn hart fel in mijn keel omdat ik vreeshoopte er nog ondergedoken nazi’s aan te treffen. Maar te hoog gespannen verwachtingen, zo leerde ik al snel, leidden tot desillusies. Er zaten geen nazi’s en er lagen zelfs geen wapens of bommen of kogelhulzen.

Boeiend was de uitgebrande villa die in alle haasten verlaten was en waar veel meer getuigde van een voorbij leven. Als een expert kon ik dan vaststellen dat er drie brandhaarden waren, dat de bewoners een koppel zonder kinderen moeten zijn geweest. Dat ze relatief welvarend waren, zag ik aan wat restte van het zwartgeblakerde meubilair. Het was alsof je door een boek waadde of door een film struinde: overal waren verhalen die een band sloegen tussen wat vooraf ging en wie je zelf was. Je kon je een detective wanen en aan de hand van gevonden voorwerpen en aanwijzingen een verhaal construeren van een misdaad die wellicht nooit had plaatsgevonden.
Ik kende toen nog minder angst dan nu. Ik was al vaak genoeg gestorven om met de dood te leven. Een verkoolde trap naar de eerste verdieping testte ik even door er een paar keer op te springen. Als hij het niet onmiddellijk begaf, had ik er alle vertrouwen in. Een stukgeslagen vloer overbrugden we door een evenwichtsoefening op de balk en een volgelopen put van waaruit men vroeger vrachtwagens herstelde, stak ik over door aan de ketting te zwieren die er boven hing.

sticker

foto Sarah Wagemans

Dérive urbaine van de flâneur

Dat soort ogenschijnlijk doelloze wandeltochten werd door situationisten dérive urbaine genoemd. De meest correcte vertaling lijkt me ‘stedelijke drift’ of zo.
Guy Debord, de grondlegger van de situationistische beweging, omschreef het in zijn tekst ‘La théorie de la dérive’ als een manier van dwalen of drijven in een stad in functie van de onthulling en ontdekking en de ervaring. Het is een activiteit waarbij we door verschillende lagen van de stad drijven en we ons laten leiden door de indrukken en de subjectieve effecten die de locatie op ons hebben. Soms komen we dan blijgemutst thuis, maar vaak ook zwaar gedeprimeerd. Om die emotionele impact die de stad op je heeft, daar is het om te doen. Je grijpt zelf niet in, maar ondergaat.

Die ervaring is vandaag helemaal anders dan vroeger. Of je nu naar het Nieuw-Zuid trekt, naar het Eilandje (dat plots met hoofdletter wordt geschreven), naar de Seefhoek of de Dam: de nieuwe wijken zijn niet aangelegd om er te dwalen. Dat is je stedenbouwkundig volstrekt onmogelijk gemaakt. De organische groei vol inherente tegenstellingen en botsingen en absurde situaties verdwijnt. Dat is, volgens diezelfde situationisten, een van de problemen met de hedendaagse urbanistiek: moderne wijken worden niet gemaakt in functie van emotionele beleving door de bewoners. Het tegendeel is waar: nieuwe gebouwen en wijken worden specifiek ontworpen om een psychologische controle uit te oefenen en om vooraf te kunnen bepalen waar de bewoners zullen gaan, waar ze zullen samenkomen, welke activiteiten ze waar zullen uitoefenen en met hoeveel mensen ze dat zullen doen. Die bewoners zijn zich daar niet van bewust; ze denken in volle vrijheid te doen waar ze nu eens toevallig zin in hebben. Maar onbewust worden ze geleid door aangelegde wandelpaden, subtiele hints waar obstakels hen de weg versperren, ondoordringbare struikgewassen die hen op het recht pad houden, borden die hen de juiste weg wijzen, een reclame die hen vanuit de verte toeroept en vooraf en planmatig gecreëerde, kunstmatige zones voor gezamenlijke recreatie.

Wandel eens naar het Nieuw-Zuid. Je passeert dan langs de wijk Sint-Andries of misschien langs de Brederodestraat. Je passeert langs een wirwar van kronkelige wegen, komt onverhoeds op een pleintje, vindt een doodlopende steeg, steekt een schuine dwarsstraat over, volgt de bochtige straat en kan ofwel links of rechtdoor of je kan een binnenweg nemen. Tot je aan het vroegere Zuidstation komt. Eens je daar voorbij bent, kom je in een nieuwe wijk waar van verdwalen, dolen, struinen, rondtrekken, zwerven, banjeren of circuleren geen sprake meer kan zijn. Daar ga je op je doel af. Recht. Als je daar bent, heb je een finaliteit; je gaat ergens heen of komt ergens vandaan. De straat is er geen plaats waar iets te beleven valt, maar de kortste afstand tussen twee punten.

Het is geen leven, maar meetkunde.

Je ziet aan stratenplannen en de urbanistiek iets opmerkelijks: die worden gemaakt vanuit vogelperspectief. Niet vanuit het kikkerperspectief van kinderen of het zicht van mensen die er in rondwandelen of er leven, maar vanuit het standpunt van een god die zal bepalen waar en wanneer mensen er zullen rondwandelen, naar waar ze zullen gaan, hoe ze zich daar en daar zullen gedragen en hoe hun leven er dus in grote mate zal uitzien. Het is een vorm van dictatuur die in de stedenbouw is ingeslopen waarbij mensen niet meer bouwen en dus niet meer leven zoals ze zich dat zelf kunnen inbeelden. Ze zullen leven zoals iemand anders dat voor hen gepland heeft.

Hetzelfde fenomeen stel je vast op het Eilandje, aan de Dam en elders in de stad waar grote woonprojecten worden neer geplompt. De impact daarvan op onze stad wordt schromelijk onderschat. Want natuurlijk dienen die nieuwe wijken voor nieuwe bewoners. Maar in functie daarvan legt men ook corridors aan. Van het Eilandje naar het stadscentrum bijvoorbeeld. Dat is een van de redenen waarom de hoerenbuurt moest opgekuist. Wie zich een loft aanschaft op het Eilandje, wil niet gezien worden in een straat vol hoeren. Wie vanuit zijn yacht in de jachthaven naar ’t Fornuis wandelt, wil niet geconfronteerd worden met Nigeriaanse madammen of Roemeense tieners die op de ruit tikken en je wenken. Toch niet in volle daglicht.

Op het Zuid zie je ook de ontwikkeling van zo’n corridor van de ‘artistieke’ Kroonstraat over de Waalse en Vlaamse Kaai. Daar is natuurlijk geen plaats meer voor een volkse Sinksenfoor, dat spreekt voor zich. De lachwekkend dure galeries, de musea, de exclusieve modezaken en de antiekwinkels vergen een ander publiek dan er vroeger woonde. En dus leiden dergelijke stadsvernieuwingen tot gentrificatie: de armere en oudere bevolkingslagen worden verdreven en er komen hoger opgeleide tweeverdieners voor in de plaats. Een dergelijk proces neemt decennia in beslag. Het is sluipend en voor de stad slopend.
Erger is dat de smakeloze, vervelende, dode en avontuurloze architectuur een stad voor nog veel langer bepaalt. Soms een halve of een volle eeuw en soms nog veel langer. Daarom is het fundamenteel dat dergelijke ingrepen gepaard gaan met een brede consultatie van de bevolking en studies die verder gaan dan veiligheid, opbrengst of optimaal gebruik/m2. Ze bepalen niet alleen de fucking skyline en het uitzicht van een stad maar ook hoe die de volgende decennia of eeuwen zal beleefd worden en welke gevoelens de mensen die erin ronddwalen zullen koesteren.

afgezaagde bomen

foto Sarah Wagemans

 

Het is natuurlijk idioot en vooral inefficiënt om nostalgisch te worden. De enige constante in de realiteit is de verandering. Niets blijft hetzelfde, behalve verandering. Hunkeren naar behoud is dan ook een zinledige bezigheid. Nogal wat van de pleitbezorgers van de dérive van voor de situationisten hebben zich daaraan bezondigd.

Want het concept van het doelloos dolen hebben zij natuurlijk niet uitgevonden, noch hebben ze het als eerste beschreven. Dat deed Baudelaire die in zijn poëzie het concept van de flâneur schetste: de flaneur die al wandelend de impact vaststelt van de stedelijke transformatie onder druk van de industrialisering in een periode van versnellende maatschappelijke veranderingen. Want daar zijn stedelijke veranderingen natuurlijk tegelijkertijd de uitdrukking en de oorzaak van. Bij Baudelaire was de flaneur iemand die de wisselwerking tussen urbanisatie, stedelijk leven en industrialisering vaststelt en eventueel vastlegt. Te boek of in een schilderij, een beeldhouwwerk of helemaal niet. Het flaneren had destijds niet als doel om politiek op die veranderingen te reageren, het leidde in het beste geval bij Baudelaire tot een vernieuwend gedicht dat op haar beurt de uitdrukking was van brute maatschappelijke veranderingen. Je ziet ook de opkomst van de moderne kleinburgerlijke toerist, zoals bij de Duitse filosoof Walter Benjamin. Daar wordt de flaneur een connoisseur of the street, een opmerkzaam, bourgeois dilettant voor wie de wandeling een culturele bezigheid was en een manier van observeren die leidde tot nostalgie en het idee: vruuger was alles béeter.

 

Daar dachten de avantgardisten heel anders over. De Italiaanse futuristen, die later in fascistisch vaarwater terecht zouden komen, juichten de veranderingen en modernisering toe. Ze bezongen het ritme van de positieve dynamiek en trachtten die te vatten in hun kunst; alles moest bewegen op hun schilderijen, van propellers tot naakten die de trap afdaalden. Ze verwelkomden de auto en de aerodynamica, de trains and boats and planes in de stad, schilderden enthousiast salto’s makende vliegtuigen en voortrazende sneltreinen en hadden liefst komaf gemaakt met al het oude uit het vermolmde, landelijke Italië. Tabula rasa en de stap naar het fascisme was snel gemaakt.
Dadaïsten waren minder enthousiast over dat destructieve en huichelachtige vooruitgangsdenken dat tussen 1914 en 1918 minder haar efficiëntie dan wel haar onmenselijke karakter had getoond. Het modernisme, vrij van de traditie en god, moraal en verleden, bleek uiteindelijk vooral de mens te haten. Het was Jenseits von Gut und Böse maar erg aangenaam was dat niet gebleken. Ze gingen dus opnieuw flaneren, zonder auto’s en treinen. In kleine groepjes door de stad, door Zürich, door Parijs, door New York, overal waar ze aanhangers hadden die zich de visie van dada hadden eigen gemaakt. Die dadaïstische flaneur trok zich bij de surrealisten terug tot de binnenkant van de mens waar hij door dromen, gedachten, onderdrukte lusten en het gevaarlijke veld tussen het Es, Ich en het Über-ich wat ging rondhangen en observeren.

Een stoel op het trottoir

Het is geen toeval dat de situationisten onder hun leden veel architecten en urbanisten telden. Ze zagen meer dan wie ook de impact die stedenbouw op de mensen en vooral de jeugd had. Ze merkten hoe jongeren zich in de stad vrij bewogen, op een manier zoals ze dat in het economisch of cultureel-politieke veld niet konden. Tegenover het functionalistische urbanisme – waarbij enkel de efficiency als maatstaf geldt – plaatsen zij l’urbanisme unitaire. Een vorm van stedenbouw waarbij de vervreemding wordt bestreden en waarbij alle facetten van het menselijk leven door elkaar lopen. Er bestaat gaan arbeidstijd en vrije tijd, geen atelier en living, geen productie en consumptie maar alles tegelijkertijd en overal. De kunstmatige opdeling van onze ruimte en tijd onder druk van de kapitalistische efficiëntie en logica, wordt opgeheven. Ze gebruiken daarvoor de psychogeografie, een methode om wetmatigheden en effecten van het geografisch milieu op het gedrag van mensen te onderzoeken. Ze vonden de steden saai, vervelend en leidend tot vervreemding.
Steden, zo stelden ze, worden vorm gegeven in functie van de consumptie. Of zoals mijn compagnon de route het tijdens een van onze dwaaltochten uitdrukte: ‘kopen, eten, kaka, kopen’. Je denkt aan de De Keyzerlei en de Meir, een boulevard die vroeger het sociale leven van de bourgeoisie diende, waar ze elkaar ontmoetten, hun welvaart etaleerden, beleefd knikten en die vandaag verworden is tot een consumptieparadijs voor de arbeidersklasse. Met als parel aan de kroon de vroegere stadsfeestzaal, geprivatiseerd en waar men nu niet meer feest, vergadert, naar toespraken luister of politieke meetings houdt, maar koopt.
Hetzelfde fenomeen doet zich voor in zowat alle straten; waar die vroeger het centrum van het sociale leven waren en mensen zich op straat installeerden, kinderen speelden, waar er sociale controle was, uitwisseling, straatcultuur en waar relaties werden aangeknoopt, zijn ze verworden tot een strikt gescheiden route naar ergens anders. Een straat is niet meer ‘het hier’ maar ‘het naar ginder’. Wie vandaag zijn stoel op het trottoir zet, riskeert in plaats van sociaal contact vooral een GAS-boete.
Je ziet het ook bij de trouwstoeten waarbij familie en vrienden van het pas gehuwde paar dat sociale aspect van de weg kort heroveren om er hun emoties te tonen en te feesten, blij te zijn. Hun korte interventie – misschien mee ingegeven door de veel kleinere vervreemding in hun land van oorsprong waar een groot deel van het sociaal en culturele leven zich nog wel op straat afspeelt – wordt door de controlerende overheid alleen benaderd door middel van repressie. De boetes kunnen niet hoog genoeg zijn, de politie-interventies niet gespierd genoeg. Politici spreken scherpe taal als burgers de straat gebruiken waarvoor ze initieel bedoeld was: niet om ergens naartoe te gaan, maar om er te zijn. Het is de tegenstelling tussen de fietsactivist die een kruispunt blokkeert en de chauffeur van een patserige Mercedes décapotable die daardoor in de file staat. Terwijl die bestuurder riep ‘zo ga je nergens geraken’, antwoordde de fietser laconiek: ‘ik moet nergens zijn’.

De auto op de televisie op de auto

Op een van onze wandelingen zagen we twee objecten die in belangrijke mate hebben bijgedragen aan de hervorming van die straten als leefruimte naar route: een oude beeldbuis televisie die vanop redelijke hoogte op een auto was geworpen. Het zijn vooral de Televisie en de Auto die de straat hebben gemaakt tot wat ze nu zijn. Mensen zitten niet meer op de stoep te praten met hun buren. Ze kijken binnen naar Buren. Zoals ze niet langer op bezoek gaan naar familie, ze kijken Familie. Ze kijken Thuis zonder er een te hebben. Kinderen spelen natuurlijk ook niet meer op straat. Dat zou dodelijk zijn.
Niet alleen omwille van de voorbijrazende auto’s maar meer nog omwille van de uitlaatgassen en het fijn stof die in ons land elk jaar 11.000 doden veroorzaken. Daarom is de recente actie aan de schoolpoorten bijzonder hoopgevend en verheugend. Elke poging om de straten te heroveren, al was het maar als tijdelijke bevrijde zone of tijdelijke autonome zone, zijn een overwinning tegen de huidige waanzin van het economisch nut.
Het zijn dingen die je merkt, zo op dérive terwijl je aan psychogeografie doet. Zoals je ook, als een antropoloog van Mars, verwonderd kijkt naar die duizenden en duizenden en duizenden auto’s die stil staan langs beide kanten van de straten en elk ander gebruik ervan uitsluiten. Onbeweeglijk, als bewakers van de openbare orde die geprivatiseerd werd.
En je merkt natuurlijk nog iets anders: de manier waarop de overheid toeziet op een ordentelijk verloop van wat de burger op die straat geoorloofd is te doen. Vandaag via camera’s en vroeger vaker via de patrouillerende agenten.
situationistische wandeling

Ik herinner me het oude gebouw van drukkerij De Vlijt en Gazet van Antwerpen aan de Nationalestraat. Het is afgebroken nu, er staat nieuwbouw met op de benedenverdieping een supermarkt. Daar huisde vroeger de redactie van de Gazet maar ook de drukkerij. Dat gebouw heeft zeker tien jaar leeggestaan en op de eerste verdieping had je nog de overblijfselen van een oude, immense rotatiepers. Te zwaar en onhandig om te verhuizen, vermoed ik. De vloer van die hele verdieping was bedekt met zwart poeder van drukinkt. Met je voetstappen kon je daarin figuren en patronen maken door als een dwalende de immense zaal door te banjeren. De witte vloer kwam dan onder de zwarte inkt tevoorschijn.

Daarmee was ik druk doende toen er plots twee agenten met de matrak in de aanslag voor me stonden. De oudste vroeg me gestreng ’wat doe je hier?’ Ik zei ‘kunst’.

Daarvoor werd ik later veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s